Armenzorg

Van in de vroege middeleeuwen tot en met de 11de  eeuw was de opvang van arme mensen, zieken, wezen, weduwen en bejaarden het werk van de kerk. Behoeftigen maar ook pelgrims en zwervers kregen voedsel en onderdak in kloosters.


Armen waren een normaal onderdeel van de maatschappij. Ze konden er niets aan doen. En door aan de armen te geven, konden de rijken in de hemel komen.


Gevaar

Vanaf de 12de eeuw kwam hier stilaan verandering in. Meer en meer plattelandsbewoners trokken naar de stad, en dat kwam bedreigend over bij de rijkere stedelingen. Om sociale onrust en epidemieën te voorkomen, richtten rijke burgers opvanghuizen op waarin behoeftigen tijdelijk een onderkomen vonden.


De 14de eeuw was een periode van catastofale hongersnoden, en tot overmaat van ramp brak de pest uit. Vooral arme mensen waren daar het slachtoffer van, door ondervoeding en slechte (of geen) huisvesting.


Vrouwkenshuis

In die woelige tijden, omstreeks 1350, richtte Hendrik Suderman, vermogend Duits koopman, een tehuis op voor arme meisjes en vrouwen op de plaats van het Sint-Elisabethgasthuis, het Vrouwkenshuis. De huidige Lange Gasthuisstraat was toen nog landelijk gebied buiten de stadswallen. Hij zorgde ervoor dat het Vrouwkenshuis ook na zijn dood kon blijven bestaan. Alleen waren er maar 7 bedden, en de vrouwen konden er met hun kinderen ‘eenen nacht’ terecht, en kregen er ‘elcx een scotel potagien’. Een druppel op een hete plaat.


Bedelaars

Het waren gevaarlijke tijden, horden vluchtelingen waren op de dool. Er was geen werk, geen eten. Steden werden overstelpt met bedelaars. Dat beviel de steden niet. Halverwege de 15de eeuw werd bedelarij bij wet verboden en gelijkgesteld aan misdaad. Werken was verplicht. Maar het aanbod aan werkkrachten was veel groter dan de vraag. Daardoor kelderden de lonen, en konden zelfs werkenden amper het hoofd boven water houden.


Wie bedelde, ging aan de schandpaal of kreeg zweepslagen en werd de stad uitgestuurd, of nog erger. Dat maakte de zaken er niet beter op, want zo ontstonden er hele troepen armoezaaiers die van de ene stad naar de andere trokken, op zoek naar wat eten of werk. Arme ouders stuurden vaak zelfs hun kinderen weg, omdat ze ze niet konden voeden.


Maegdeckenshuis

Jan Van der Meeren, een ‘cruydenier’ die fortuin had gemaakt, zag hoe vooral arme (wees)meisjes blootstonden aan allerlei gevaren. Toen zijn derde vrouw stierf, en hem met 11 jonge kinderen achterliet, kwam hij op het idee een weeshuis op te richten voor arme weesmeisjes, een ‘maegdeckenshuys’. Met zijn geld  werd in 1552 een nieuw gebouw opgetrokken naast het Vrouwkenshuis.


Dankzij een jaarlijkse rente konden de aalmoezeniers, de bestuurders,  de werking bekostigen, maar dan wel op zijn voorwaarden: met goede verzorging en onderwijs. Of met zijn woorden: ‘tot eerlick onderhoudt van meyskens cleene’. En dat was het begin van het Maagdenhuis.


Uitbreiding

Later werden de gebouwen van het Vrouwkenshuis aan het Maagdenhuis toegevoegd. Ook de volledige nalatenschap van Gilbert Van Schoonbeke (1519 – 1556) kwam door de vrijgevigheid van zijn erfgenamen in 1633 volledig bij het Maagdenhuis terecht - geld, gronden en huizen. Daardoor kon het sterk uitbreiden.


Tijdens deze grote verbouwing kreeg het Maagdenhuis zijn huidige uitzicht met de voorgevel in witte natuursteen. 


Maagdenhuis

Honderd kinderen konden er terecht. Ze kregen onderdak, voeding en onderwijs. Ze leerden lezen, schrijven – zelfs Frans! – en rekenen. Ze leerden ook naaien, kantklossen en spinnen, wassen en koken. En ze moesten elke zondag naar de kerk. Als ze genoeg geleerd hadden, konden ze aan het werk als dienstmeid in een goed burgergezin.


Ook voor jongens kwam er een gelijkaardig weeshuis, het Knechtjeshuis op de Paardenmarkt. Zij leerden er allerlei ambachten. Ten tijde van Napoleon ging het Franse leger er zelfs jongens recruteren voor de Franse militaire academie in Versailles.


Ongezond

Het Maagdenhuis kende ook moeilijke tijden. In sommige periodes werden de meisjes vooral als werkvolk gebruikt. Hun naai- en kantwerk diende om de kosten te betalen. Vooral in de 18de eeuw was alles op productie toegespitst, zodat er geen tijd overbleef om iets anders te leren. Ontspanning of plezier was er al helemaal niet bij. Al dat naai- en kantwerk was bovendien hoogst ongezond. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat zaten de meisjes binnen opgesloten, voorovergebogen te zwoegen in het werkhuis.


Daar kwam in de 19de eeuw gelukkig terug verandering in, en onderwijs kreeg weer de bovenhand op productie. De zusters van Onze-Lieve-Vrouwe van Namen deelden nu de lakens uit. De instelling was een toonbeeld van orde en netheid. Maar veel menselijke warmte zal er niet geweest zijn.  


Weg wezen

In 1882 sloot het Maagdenhuis definitief de deuren als meisjesweeshuis. Het pand kwam leeg te staan. De wezen kregen een nieuw onderkomen in 2 grote, modernere instellingen om het oude Maagdenhuis en het Knechtjeshuis te vervangen.


In de loop van de 20e eeuw zijn deze 2 traditionele weeshuizen stilaan vervangen door nieuwe instellingen - kleiner, gezelliger, met meer aandacht voor het individuele kind. Het aantal weeskinderen is ook sterk gedaald,  ze zijn vaker opgenomen in pleeggezinnen. Maar dat is een ander verhaal. 


Kunst

In de loop der eeuwen verzamelden de liefdadigheidsinstellingen heel wat kunstvoorwerpen via erfenissen en schenkingen. Rijke burgers lieten zelfs hele kerken en kapellen inrichten. Halverwege de 19de eeuw moest een onafhankelijke commissie – waar ook Hendrik Conscience lid van was – alle kunstwerken van de provincie in kaart brengen. De rijke collectie schilderijen van het Antwerpse Maagdenhuis en Knechtjeshuis viel al snel op.
Het bestuur van de twee weeshuizen, het zogenaamde Bestuur van Burgerlijke Godshuizen, bracht 84 schilderijen onder in de voormalige kapel van het Maagdenhuis en opende in 1884 de deuren als museum.


Maar

Enkele jaren later gaat een nieuwe kunsttempel open, het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, het huidige KMSKA.
De meeste kunstwerken verhuizen daarheen, en het Bestuur van Burgerlijke Godshuizen gebruikt de vrijgekomen ruimte om zijn administratie in onder te brengen.


Intussen

In de 2de helft van de 19de eeuw – samen met de versnelde industrialisatie - bereikt de armoede een triest hoogtepunt. De stad wordt overspoeld met mensen op zoek naar werk en voedsel. Zo gaf het Bureel van Weldadigheid – al in het leven geroepen onder Napoleon om de werkloze armen te controleren, te helpen en weer aan het werk te krijgen - in 1849 steun aan niet minder dan 39% van de Antwerpse bevolking. 


COO

1925. De Commissie van Openbare Onderstand (COO) ontstaat door de fusie van het Bestuur van Burgerlijke Godshuizen (dat onder meer de weeshuizen beheert) en het Bureel van Weldadigheid. Daarmee komt de COO in het bezit van een grote kunstcollectie, en ze besluit de kapel opnieuw als museum in te richten.


Maagdenhuismuseum

In 1930 is het zover. Ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling in Antwerpen en van een internationaal congres over liefdadigheid, opent de COO de deuren van het nieuwe Maagdenhuismuseum. Het publiek kan werken bewonderen van onder meer Jacob Jordaens en Antoon Van Dyck, maar krijgt ook belangrijke historische documenten over de openbare armenzorg te zien.


Sindsdien is het museum steeds uitgebreid. Ook enkele unieke stukken vinden hun weg terug van het KMSKA naar het Maagdenhuismuseum. 


OCMW

Door de wet van 8 juli 1976 worden de COO’s  omgevormd tot OCMW’s, Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn. Dat het Maagdenhuismuseum op het eerste gezicht vreemd genoeg onder de paraplu van OCMW Antwerpen valt, is gewoon historisch gegroeid. 


Arm en rijk

De geschiedenis van OCMW Antwerpen gaat terug tot de verschillende liefdadigheidsinstellingen van de vroege middeleeuwen. Het rijke kunstpatrimonium van het Maagdenhuismuseum is daarvan de weerspiegeling.


 


Alle kunstwerken zijn gekoppeld aan een stukje Antwerpse sociale geschiedenis. En de vele gebruiksvoorwerpen houden rechtstreeks verband met de geschiedenis van het Maagdenhuis en de armenzorg door de eeuwen heen.


Het Maagdenhuismuseum, dat is ontroerend erfgoed over arm en rijk tegelijk.